Verpleegkundsige theoriën en modellen

Theorie is in de eerste plaats belangrijk omdat een theorie ervoor zorgt dat de verpleegkundige praktijksituaties inzichtelijk gemaakt worden. Vervolgens helpt een verpleegkundige theorie tot het identificeren van de focus, de middelen, de doelen en praktijk. Door het gebruik van een theorie wordt de communicatie onderling vergroot, vergroot het tevens de zelfstandigheid van verplegen de aansprakelijkheid van de zorg.

De ontwikkeling van verpleegkundige theorieën dateert van midden 1950 van o.a. Hildegard Peplau, Virginia Henderson tot heden met namen als Parse, Newman, Roy en vele andere.

Beide eerst genoemde theoretici werden benaderd door de ICN om verplegen te definiëren. Dit resulteerde in de volgende definitie: "Verplegen is een specifieke en unieke missie, deze missie bezit ordening en organisatie welke "communiceerbaar” zijn" (Meleis,1996).

Om even in deze tijd stil te blijven staan, het was de periode waarin theorieën gebaseerd waren op het tegemoet getreden van "noden/behoeften van de klant, deze werden ontwikkeld in antwoord op vragen als: wat doen verpleegkundigen, wat zijn hun functies, welke rol spelen zij?

Zo ontwikkelde Henderson haar theorie van levensverrichtingen, waarin de focus van verplegen is het assisteren van de 14 dagelijkse activiteiten of noden.

Het kiezen van een model Het mag als vanzelfsprekend zijn dat het gekozen model of ordeningsprincipe voor een ieder acceptabel moet zijn. Dat houdt in bestaat er consensus tussen alle medewerkers van de afdeling of de organisatie met betrekking tot het bewuste model.

Het betekent eveneens dat de medewerkers zich de uitgangspunten en definities eigen moeten maken van dat model. Zo heeft Marjory Gordon een ordeningsprincipe ontwikkeld om te komen tot een diagnose, gebaseerd op het geheel van menselijke reacties op gezondheid en gezondheidsverstoringen vanuit een holistische benadering.

Kan of kunnen medewerkers zich niet vinden in de keuze dan zal het moeilijk zijn om tot eenduidigheid te komen. Het algemene doel is te kunnen komen tot een gemeenschappelijke taal. Een taal die we leren spreken als medewerkers op een afdeling of instelling gezamenlijk besluiten om vanuit een specifiek model te gaan werken. Het is immers noodzakelijk om een alvorens een gemeenschappelijke taal te kunnen ontwikkelen gemeenschappelijke termen en maten te ontwikkelen, te toetsen en toe te passen om vervolgens te komen tot verpleegkundige diagnoses, verpleegkundige interventies verpleegkundige systemen en processen en zorgresultaten.

De invloed van een gemeenschappelijke taal ligt in het feit dat: als het niet benoemd kan worden, het niet beheerst kan worden, niet gefinancierd, niet onderwezen, niet onderzocht of tot beleid verheven kan worden. Dit houdt vervolgens in dat wij, als instelling of afdeling moeten komen tot een gemeenschappelijke zienswijze.

Een verder gevolg is dat er standaard formulieren ontwikkeld moeten worden die gebaseerd zijn op dat bepaalde model. Is het nu ivvp of het ordeningsprincipe van gordon of welk ander systeem dan ook dat maakt niet uit. Ieder systeem heeft zijn eigen specifieke ordening van anamnese, dit staat immers aan de basis van een te bepalen interventie of interventies. Een effectieve anamnese is systematisch en continue, waarbij de gegevens toegankelijk zijn en "communiceerbaar” en vastgelegd/gerapporteerd zijn.

Derhalve is het noodzakelijk dat grote waarde gehecht moet worden aan methodiek ontwikkeling, het aanleren van diagnosticeren, prognosticeren, resultaatbepaling en vaststelling van de interventies. Verpleegkundige diagnose houdt een "verpleegprobleem" in die behoort tot het domein van de verpleegkundige. Verpleegkundige diagnoses zijn belangrijk om antwoorden te vinden op praktische vragen. Het geeft richting aan het verpleegkundig handelen.

Verpleegkundige diagnose wordt ook wel gezien als een nieuwe naam voor reeds lang bestaande activiteiten zoals: · Het herkennen van signalen die een aanwijzing zijn voor mogelijke gezondheidsproblemen · Gericht waarnemen van klinische verschijnselen · Aangeven om welke patiëntproblemen het gaat (Bruyns & Buskop-Kobussen, 1996). De elf gezondheidspatronen van Marjory Gordon De meeste verpleegkundigen en verzorgenden zijn nu wel op de hoogte van de elf gezondheidspatronen van Marjory Gordon. Hetzij via de opleiding, hetzij via de instelling.

Veel instellingen hebben de theorie wel op de een of nadere manier verwerkt in de dagelijkse verzorging en verpleging van de patiënt door middel van de aanpassing van de Anamnese of standaard verpleegplannen

Hieronder volgt en korte uitleg van wat nu de gezondheidspatronen precies inhouden en met welke aandachtsgebieden binnen de diverse patronen rekening gehouden kan worden.

Voor en meer uitgebreidere informatie verwijs ik u naar het verpleegkunde.net

Gezondheidspatroon 1: gezondheidsbeleving en Instandhouding Deze patroon omvat datgene wat de cliënt van zijn gezondheid vindt en hoe hij voor zijn gezondheid zorgt. Het gaat dus om de manier hoe de cliënt zijn gezondheid beleeft en de relevantie daarvan voor zijn huidige en toekomstige activiteiten. Inbegrepen is ook het algemeen gezondheidsgedrag zoals : gezondheidsbevorderende activiteiten, preventieve maatregelen voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid, het opvolgen van medische of verpleegkundige voorschriften en de medewerking aan nazorg. Aandachtsgebieden Gezondheidszoekend gedrag Tekort in het gezondheidsonderhoud Inadequate opvolging van de behandeling Dreigende inadequate opvolging van de behandeling Tekort in de gezondheidsinstandhouding Dreigend tekort in de gezondheidsinstandhouding Therapieontrouw Dreigende therapieontrouw - Infectiegevaar Gevaar voor letsel (trauma) Vergiftigingsgevaar Verstikkingsgevaar Beschermingstekort Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 1 (Anamnese)

1. Hoe is uw gezondheid in het algemeen?

2. Bent u het afgelopen jaar ziek (verkouden) geweest, zo ja heeft u zich toen ziek gemeld?

3. Wat zijn de belangrijkste dingen die u doet om gezond te blijven? (Met inbegrip van familie en/of huismiddeltjes).

4. Rookt u, drinkt u, gebruikt u drugs, doet u aan zelfonderzoek ?

5. Ongevallen/ongelukken?. (Thuis, werk, verkeer).

6. Heeft u het altijd gemakkelijk gevonden om de voorschriften van de arts of de verpleegkundige op te volgen ?

 Gezondheidspatroon 2: voeding/stofwisselingspatroon. De voeding/stofwisselingspatroon omvat de opname van vocht en voedsel in verhouding tot de fysiologische behoeften, en ook de indicatoren van de plaatselijke (geografisch) aanwezige voedingsmiddelen. Inbegrepen zijn de individuele eet/drinkpatronen, de dagelijkse eettijden, soorten en voedselvoorkeuren, en het gebruik van voedings-vitaminesupplementen. Aandachtsgebieden Voedingsteveel (of exogene zwaarlijvigheid) Dreigend voedingsteveel (of dreigende exogene zwaarlijvigheid) Voedingstekort Ineffectieve borstvoeding Borstvoedingonderbreking Effectieve borstvoeding Ineffectief zuigelingvoedingspatroon Ongecompenseerde Slikstoornis Aspiratiegevaar Veranderd mondslijmvlies Vochttekort Dreigend vochttekort Vervulling Huiddefect Dreigend huiddefect Decubitus Weefseldefect Dreigende temperatuurswijziging Falende warmteregulatie Hyperthermie - Hypothermie Mogelijke vragen en Aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 2 (Anamnese).

1. Wat eet/drinkt u normaal ? (soort/hoeveelheid)

2. Maakt u gebruik van aanvullende middelen ? (vitamines, preparaten, tussendoortjes)

3. Hebt u de laatste tijd gewicht verloren/toegenomen ? (hoeveel)

4. Is er de laatste tijd wat verandert in uw lichaamslengte ? (toe/afgenomen, hoeveel)

5. Voedsel of eten zijn daar dingen op aan te merken ? (problemen, slikklachten, dieet, dieetproblemen)

6. Genezen wonden goed of slecht ?

7. Huidproblemen : defecten, droog ? 8. Problemen met het gebit ?

Gezondheidspatroon 3: uitscheidingspatroon. Het uitscheidingspatroon omvat de uitscheidingsfunctie van : darmen, blaas en de huid. Aspecten zijn : regelmaat, het gebruik van laxantia, of andere middelen om de ontlasting op te wekken, Eventuele veranderingen of problemen wat tijd, manier, kwaliteit of kwantiteit van de uitscheiding betreft. Ook eventuele hulpmiddelen vallen hieronder (katheter, plaswekker, stoma-artikelen). Ook de manier hoe een gezin/buurt met het (huis)afval omgaat kan van belang zijn. Aandachtsgebieden Colon obstipatie Subjectief ervaren obstipatie Periodieke obstipatie Diarree Incontinentie van faeces Verstoorde urine uitscheiding Functionele incontinentie Reflex incontinentie Stress incontinentie Urge incontinentie Volledige urine incontinentie Urineretentie Mogelijke vragen en Aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 3 (Anamnese).

1. Uitscheidingspatroon van de ontlasting ? (Beschrijven).

2. Frequentie, vorm, consistentie, kleur, geur ?

3. Pijn, ongemak, probleem onder controle, laxantia, huismiddeltjes ?

4. Uitscheidingspatroon van de urine ? (Beschrijven).

5. Frequentie, hoeveelheid, geur, problemen, zo ja onder controle ?

6. Overmatige transpiratie, sterke transpiratiegeur ?

7. Bijzondere maatregelen of hulpmiddelen zoals : catheter blaasspoelen

Gezondheidspatroon 4: activiteitenpatroon. Het activiteitenpatroon omvat het geheel van lichaamsbeweging, ontspanning, recreatie en vrijetijdsbesteding. Datgene wat dus energie kost. Factoren die een belemmering zijn voor het : gewenste of verwachte individuele patroon, zoals ; neuromusculaire functiestoornissen, benauwdheid, angina of benauwdheidklachten worden eveneens bij deze patroon opgetekend. Tot slot maken de vrijetijdsbesteding en alle recreatieve activiteiten die de cliënt alleen of met anderen onderneemt deel uit van deze patroon. De nadruk ligt op activiteiten die van groot belang zijn voor de cliënt. Aandachtsgebieden Verminderd activiteitsvermogen Dreigend verminderd activiteitsvermogen Oververmoeidheid Mobiliteitstekort Dreigende inactiviteitsyndroom Dreigende contracturen Volledig persoonlijk zorgtekort Zelfstandigheidtekort in wassen Zelfstandigheidtekort in kleding of verzorging Zelfstandigheidtekort in eten Zelfstandigheidtekort in de toiletgang Afwijkende groei of ontwikkeling in persoonlijke zelfzorgvaardigheden/ontspanningstekort Verminderd huishoudvermogen Disfunctionele beademingsontwenning Verminderd ademhalingsvermogen Ineffectieve luchtwegreiniging Ineffectieve ademhaling Verstoorde gas uitwisseling Verminderd hart minuut volume Verminderde weefsel doorbloeding Dysreflexie Dreigende perifere neuronvasculaire stoornis Afwijkende groei en ontwikkeling Vragen en Aandachtspunten Gezondheidspatroon 4. (Anamnese).

1. Voldoende energie voor gewenste/vereiste activiteiten ?

2. Lichaamsbeweging, welke, hoe regelmatig ?

3. Vrijetijdsbesteding, kinderen, spelactiviteit, Subjectief ervaren van de eigen vermogens tot gebruik van onderstaande codes : Codes voor het functieniveau binnen de gezondheidspatronen. Niveau 0 : volledig vermogen tot persoonlijke zorg.

Niveau 1 : heeft apparaten of hulpmiddelen nodig.

Niveau 2 : heeft hulp of begeleiding van anderen nodig.

Niveau 3 : heeft apparaten/hulpmiddelen en begeleiding nodig.

Niveau 4 : is volledig van anderen afhankelijk. Met betrekking tot: Eten. Wassen. Toiletgang. Kleden. Verzorging uiterlijk. Algehele mobiliteit. Koken. Huishouden. Boodschappen doen.

Gezondheidspatroon 5: slaap/rustpatroon. De slaap/rustpatroon omvat het patroon van perioden van : slaap, rust en ontspanning verspreidt over het etmaal. Inbegrepen zijn ook de subjectieve belevingen van de kwaliteit en de kwantiteit van slaap en rust en de hoeveelheid energie en de eventuele hulpmiddelen zoals : slaapmedicatie en bepaalde gewoonten voor het slapen gaat. Aandachtsgebieden Verstoord slaap rustpatroon Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 5. (Anamnese).

1. Gewoonlijk goed uitgerust en klaar voor de dag na het ontwaken ?

2. Problemen met het inslapen, hulpmiddelen, dromen, nachtmerries of vroeg wakker ?

3. Regelmatige perioden voor rust en ontspanning ? Gezondheidspatroon 6: waarneming/cognitiepatroon. Het waarneming-/cognitiepatroon omvat de zintuiglijke waarneming en de cognitieve functies. Inbegrepen zijn ook de kwaliteit van zien, horen, ruiken en proeven. Ook eventuele compensatiemechanismen of prothesen vallen onder deze patroon. Tevens de pijnzin en de omgang met pijn, het taalvermogen, oordeelsvermogen en besluitvorming worden onder deze patroon samengevat. Aandachtsgebieden Pijn Chronische pijn Tekort in de zelfbestrijding van oijn (acute en chronische) Afzijdige inattentie Zintuiglijke overbelasting Zintuiglijke onderbelasting Ontgecompenseerd zintuigtekort Kennistekort Verstoord denken Ontgecompenseerd korte termijngeheugen tekort Dreigend cognitie tekort Basisconflict Mogelijke vragen en aandachtspunten bij

Gezondheidspatroon 6. (Anamnese).

1. Slechthorend, gehoorapparaat ?

2. Slechtziend, bril of contactlenzen ? (Wanneer was de laatste controle) (wanneer de laatste verandering in sterkte v/d glazen).

3. Verandering in geheugen en/of concentratievermogen ?

4. Wel of geen moeite om beslissingen te nemen ?

5. Gemakkelijk in staat om nieuwe dingen aan te leren ?

6. Problemen ?

7. Gevoeligheid, pijn zo ja wat doet u eraan ?

Gezondheidspatroon 7: zelfbelevingspatroon. Hoe ziet de persoon zichzelf ? Het gaat om de ideeën van de eigen persoon. De beleving van de eigen vaardigheden, het zelfbeeld, de eigen identiteit, het gevoel van eigenwaarde en de algemene patroon van emoties Ook het lichaamshouding, motoriek, het oogcontact, stem en spraakgebruik maken deel uit van deze patroon. Aandachtsgebieden Vrees Angst Lichte angst Matige angst Hevige angst (paniek) Anticiperende angst (licht, hevig en matig) Re actieve depressie Moedeloosheid Machteloosheid (licht, matig en ernstig) Geringe zelfachting Chronisch geringe zelfachting Verstoord lichaamsbeeld Dreigende zelfverminking Identiteitsstoornis Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 7. (Anamnese).

1. Hoe zou u zichzelf in het algemeen willen omschrijven, meestal tevreden/ontevreden over zichzelf ?

2. Ondergaat uw lichaam veranderingen ?

3. Kunt u meer of minder dan vroeger, zo ja vindt u dat een probleem ?

4. Zijn er veranderingen in de manier waarop u zichzelf, of uw lichaam ziet ? (sinds uw ziekte)

5. Bent u vaak kwaad, geërgerd, angstig, ongerust, neerslachtig, niet in staat de situatie in de hand te houden. Wat helpt dan ?

6. Verliest u de hoop wel eens ?

Gezondheidspatroon 8: rollen/relatiepatroon. Het rollen/relatiepatroon omvat de belangrijkste rollen en de verantwoordelijkheden van de cliënt in zijn huidige levenssituatie en zijn familie,-gezin,-werk en sociale relaties met de bijbehorende verantwoordelijkheden. De tevredenheid van de cliënt en de eventuele verstoring van die patroon. Aandachtsgebieden Anticiperende rouw Disfunctionele rouw Verstoorde rolvervulling Onopgelost onafhankelijkheids/afhankelijkheidsconflict Sociale afwijzing Sociaal isolement Inadequate sociale interactie Afwijkende groei en ontwikkeling in sociale vaardigheden Hervestigingsyndroom - gewijzigde gezinsprocessen Ouderschapstekort Dreigend ouderschapstekort Ouderrolconflict Zwakke ouder - kindhechting Ouder - kindscheiding Overbelasting van mantelzorger Dreigende overbelasting van mantelzorger Mantelzorgtekort Verstoorde verbale communicatie Afwijkende groei en ontwikkeling in communicatieve vaardigheden Dreigend geweld Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 8. (Anamnese).

1. Samen of alleenstaand, familie/gezinsstructuur ? (Diagram, genogram).

2. Eventuele gezin- of familieproblemen die u moeilijk vindt ?

3. Zijn er mensen (familie, gezin, anderen) afhankelijk van voor bepaalde dingen ?

4. Indien relevant, hoe staan de familieleden, gezinsleden, anderen tegenover ziekte/opname ?

5. Indien relevant, problemen met kinderen, moeite met de opvoeding ?

6. Aansluiting bij een vereniging, club, andere sociale groep, goede vrienden ?

7. Voelt u zich wel eens eenzaam ? (Hoe vaak).

8. Indien relevant, gaat het goed op het werk/school ?

9. Indien relevant, is het inkomen voldoende genoeg om van rond te komen ?.

10.Voelt u zich opgenomen/geïsoleerd in de omgeving waar u woont ?

Gezondheidspatroon 9: seksualiteit/voortplantingspatroon. De seksualiteit/voortplantingspatroon omvat de seksuele relaties, seksualiteitsbeleving en het voortplantingspatroon. Maar ook de mate van (on)tevredenheid hiermee en de eventuele subjectieve beleving en/problemen. Bij de vrouw zijn ook de vruchtbaarheid, maturiteitsfase (premenopauze, overgang, postmenopauze) en eventuele subjectieve problemen van belang. Aandachtsgebieden Gewijzigde seksuele gewoonten Seksueel disfunctioneren Verkrachtingssyndroom Gecompliceerde vorm van verkrachtingssyndroom Stille vorm van verkrachtingssyndroom Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 9. (Anamnese).

1. Indien relevant, leeftijd en situatie.

2. Bevredigende seksuele relatie(s), veranderingen, problemen.

3. Indien relevant, gebruik van anticonceptiva ? (Problemen).

4. Vrouwen : wanneer begonnen met menstrueren, laatste menstruatie, menstruatieproblemen, aantal bevallingen, zwanger.

Gezondheidspatroon 10: Stressverwerkingspatroon. Het Stressverwerkingspatroon omvat de manier waarop iemand in het algemeen met problemen en stress omgaat. Inbegrepen zijn het vermogen persoonlijke crisis te doorstaan, het mechanisme om iets het hoofd te bieden (coping), Steun in familie of bij anderen en het subjectieve vermogen om macht over een situatie uit te oefenen. Aandachtsgebieden Ineffectieve coping (iets niet aankunnen) Probleemvermijding Defensieve coping Ineffectieve ontkenning Verminderd aanpassingsvermogen Posttraumatische reactie Gezinscoping - ontplooiingsmogelijkheden Bedreigde gezinscoping Gebrekkige gezinscoping Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 10. (Anamnese).

1. Heeft u de afgelopen één à twee jaar grote veranderingen doorgemaakt in uw persoonlijke leven cq crisis ?

2. Met wie kunt u het beste over moeilijkheden praten, is die persoon ook beschikbaar ?

3. Bent u over het algemeen ontspannen/gespannen, wat helpt het beste als u gespannen bent ?

4. Gebruikt u bepaalde medicijnen, drugs of alcohol ter ontspanning ?

5. Op welke manier gaat u grote problemen, (van welke aard dan ook) ter lijf, en heeft dat ook resultaat ?

Gezondheidspatroon 11: waarden/overtuigingspatroon. Het waarden/overtuigingspatroon omvat de waarden, normen doelstellingen en overtuigingen (ook geestelijke) waarop iemand zijn keuzes en beslissingen maakt. Dus wat iemand belangrijk acht in het leven en of bepaalde normen, overtuigingen of verwachtingen ten aanzien van de gezondheid in zijn beleving botsen. Aandachtsgebieden Geestelijke noden Zinsgevingsvragen Mogelijke vragen en aandachtspunten bij Gezondheidspatroon 11. (Anamnese).

1. Biedt het leven over het algemeen datgene wat u zoekt ?

2. Belangrijke plannen voor de toekomst ?

3. Is godsdienst belangrijk voor u, zo ja put u er steun uit in moeilijke tijden ?

4. Indien relevant, bemoeilijkt uw opname hier u in bepaalde religieuze gebruiken ?

wat is het aandachtsgebied van de verpleegkundige?

 Een verpleegkundige is letterlijk iemand die verstand heeft van verpleging. Hij of zij houdt zich bezig met het geven van verpleegkundige zorg. Hieronder valt basiszorg, zoals onder andere wassen, aankleden, verschonen, wondzorg, observatie en rapportage. Verpleegtechnische handelingen zijn bijvoorbeeld het inbrengen van een sonde of een katheter. Verpleegkundigen werken in ziekenhuizen, de psychiatrie, revalidatiecentra, de gehandicaptenzorg, verpleeg- en verzorgingshuizen, privéklinieken en in de thuiszorg. Daarnaast houden verpleegkundigen zich bezig met het uitvoeren van handelingen in opdracht van of onder toezicht van een arts. Zij mogen zelf geen medische diagnoses stellen, maar mogen vaak wel medische taken uitvoeren (vaak volgens vastgestelde protocollen). Wel stelt een verpleegkundige een verpleegkundige diagnose. Dat is een diagnose die betrekking heeft op de gezondheidsproblemen van de patiënt, en hoe die daar mee omgaat. Een belangrijk deel van het werk van verpleegkundigen bestaat ook uit het geven van informatie over gezondheid, ziekte en behandeling, en het begeleiden van mensen in het omgaan hiermee.

 

 

Verpleegtechnische handelingen

 

Sonde voeding toedienen, verzorgen maagsonde, verzorgen stoma, verzorgen blaaskatheter, verzorgen suprapubische katheter, medicijnen uitzetten/registreren/toedienen, injecteren (IM, IC, SC, IV), perifeer infuus inbrengen, lavementen toedienen, oplossingen en verdunningen maken, tracheacanule verzorgen, tracheastoma verzorgen, uitzuigen ('aspireren') van de keel, de mondholte en de onderste luchtwegen, zuurstof toedienen, aerosol toedienen, bloed en bloedproducten toedienen, wonden verzorgen, hechtingen verwijderen, tampons verwijderen, wonddrains verwijderen, lichaamstemperatuur regelen, parenteraal vloeistoffen toedienen, katheteriseren van de blaas, maagsonde inbrengen, een ECG afnemen en interpreteren, observatie van personen met continue monitoring, toezicht houden op spuitpompen, orgaanspoelingen uitvoeren, venapunktie, hielprik, monsters verzamelen, reanimeren

 

De handelingen die alleen voorbehouden zijn aan verpleegkundigen ( en artsen, verloskundigen en tandartsen) zijn beschreven in het BIG Register

 

verpleegkundige Diagnose

definitie van het stellen van een verpleegkundige diagnose:

het proces in gang zetten om een georganiseerd, logisch, en begrijpelijk systeem te ontwikkelen. voor het classificeren (ordenen, rangschikken in klassen) van gezondheidsproblemen of gezondheidstoestanden gediagnosticeerd en bahandeld met verpleegkundige interventies.

de meest gehanteerde definite van een verpleegkundige diagnose:

een verpleegkundige diagnose word opgesteld door een (professionele) verpleegkundige en beschrijft actuele of potentiele gezondheidsproblemen, ten aanzien waarvan de verpleegkundige op grond van haar/zijn opleiding hulp en bijstand kan en mag verlenen.

 

wat mag ik als verpleegkundige op grond van mijn kennis en de verzamelde informatie concluderen. en vaststellen aan welke verpleegkundige zorg de patient behoefte heeft. een verpleegkundige diagnose is dus een uispraak, een uitspraak van gebaseerd op een kritische redenering dit betekent ook dat het niet een enkele observatie is, maar een analyse, interpretatie, en een oordeel over de betekenis van een verzameling observaties de uitspraak zegt dus iets over de reacties van een persoon, gezin of groep op gezondheids problemen of levenssituaties. 

sondevoeding protocol

Het geven van sondevoeding 

 

Inhoudsopgaven:

1.     wat is sondevoeding?

2.                      het protocol.

3.                      benodigde materialen.

4.                      de voorbereiding.

5.                      de uitvoering.

6.                      de nazorg.

7.                    bronvermelding.

 

1. Wat is sondevoeding?

Sondevoeding is het toedienen van voeding per sonde. Deze mogelijkheid wordt toegepast wanneer gewoon eten niet kan of mag.

Sondevoeding is nauwkeurig te doseren en bevat alle voedingsstoffen die nodig zijn.

Te denken valt aan TPN ( totale paranterale voeding, nutricion).

De dosering wordt bepaald door een diëtiste en deze had ook het gewicht van de persoon nauwlettend in de gaten.

Sondevoeding kan in overleg met de patiënt gegeven worden, maar ook onder dwang.

Een arts is de enige die de sondevoeding kan en mag voorschrijven.

Deze casus gaat over een mevrouw van 30 jaar die als vorm van verzet weigert te eten.

Mevrouw is zwaar ondervoed bij ons binnengebracht en krijgt nu drie maal per dag sondevoeding via de neus.Dit gebeurd niet onder dwang, mevrouw laat het altijd toe.

Het is dus een casus uit de praktijk.

Ik ben niet bevoegd tot het toedienen van sondevoeding, maar bereidt het wel voor en assisteer bij het toedienen van de sondevoeding.

                   2. Het protocol.

Er zijn verschillende protocollen voor het toedienen van sondevoeding. In deze situatie is er een protocol opgesteld voor deze specifieke patiënt.

Protocol sondevoeding

 

Mevrouw krijgt 3x daags energie sondevoeding en wel +/- 9.30, 15.00 en 21.00 uur. Mevrouw krijgt 300 cc voeding per keer.

Materialen:

Leg klaar:

handdoeken

Bekkentje

Maagsonde CH 12 (wit dopje) afmeting ongeveer 46 cm inbrengen

Injectiespuit voor lucht, water, en sondevoeding
  • Stethoscoop
  • twee maatkannen ( één voor water, één voor sondevoeding)
  • Beslagkom
  • Energie sondevoeding (lauwwarm)
  • 100 cc water (lauw warm)
  • 2 nutridrink

    Omgeving:

In de voorruimte in de rolstoel met vijf verpleegkundigen.

Uitvoering:

Mevrouw 2 gesloten flesjes Nutridrink aanbieden, mevrouw kort de kans geven, ongeveer 10 seconden.

Warm de sondevoeding in de beslagkom op in de magnetron (3/4 minuut)

Was je handen

Neem de sonde uit de verpakking en meet de benodigde lengte:

Uiteinde sonde vanaf de neuspunt via het oor, kin, borstbeen naar het maagkuiltje. Markeer eventueel dit punt met een pleister als er geen maat aanduiding op de sonde staat.

Leg een handdoek over de borst van de cliënt (i.v.m. braken) Reinig indien nodig de neus met wattenstaafjes.

 

Als inbrengen van de sonde met veel weerstand gaat, neusgaten afwisselen (zie lijst klapper).

 

Sonde in bekkentje met warm water leggen (vergemakkelijkt het inbrengen van de sonde)

 

Laat de cliënt het hoofd licht achterover buigen, leg eventueel een hand op het voorhoofd.

 

Schuif voorzichtig het uiteinde van de sonde door het neusgat, met een neerwaartse beweging in de richting van het oor, tot de keelholte.

 

Wanneer enige weerstand optreedt stoppen met de handeling.

 

Instrueer de cliënt bij kokhalsreflex te slikken.

 

Vraag de cliënt het hoofd licht voorover te buigen, de luchtpijp wordt zo iets afgesloten.

 

Wrijf over de keel om slikken te stimuleren of vraag aan de cliënt als zelf drinken niet gaat, of je water in de wangzak mag spuiten, dit stimuleert slikken.

 

Controleer tussendoor de mondholte, de sonde kan in de mond opkrullen, trek dan terug tot de sonde weer recht is.

 

Spreek de cliënt bemoedigend toe en vraag hoe het gaat.

 

Schuif de sonde op tot het gemarkeerde punt.

 

Controleer of de sonde in de maag zit door:

 

* 10cc lucht in de luchtspuit op te zuigen. * Plaats de stethoscoop op het maagkuiltje * spuit de lucht in de sonde met een krachtige beweging

* Luister of je borrelende geluiden hoort

* (Bij herhaling van het lucht spuiten, de spuit niet van de slang halen, maar de ingespoten hoeveelheid lucht weer terugzuigen in de spuit om het opblazen van de maag te voorkomen).

* Zuig eventueel met de spuit maagsap op * Lukt dit niet trek de sonde dan 2 à 3 cm terug of breng hem iets verder in en zuig nogmaals maagsap op. De sonde kan opgekruld in de maag liggen.

Spuit langzaam 50cc lauw water door de sonde (let op eventuele reacties van cliënt)

Druk sonde dicht

Spuit langzaam 300 cc sondevoeding door de sonde

Druk sonde dicht

  • Spuit langzaam 50 cc lauw water door de sonde
  • druk sonde dicht.
  • Trek met een vloeiende beweging sonde uit neus.
  • Spoel materiaal met warm water af (sonde kun je +/- 2 dagen gebruiken)

Nazorg:

Spoel materialen met warm water af (sonde kun je +/- 2 dagen gebruiken)

  • Zet materiaal terug in voorraadhok separeer.

Complicaties:

  • Beschadiging van het slijmvlies van de neus.
  • aspiratie(pneumonie), benauwdheid en onrust.
3. Benodigd materiaal.

Materialen die nodig hebt tijdens het toedienen van sondevoeding leg je van te voren al klaar om de toediening zo kort en soepel mogelijk te laten verlopen.:

Leg klaar:

Handdoeken: Handdoeken worden gebruikt om de kleding van de patiënt te beschermen.

Bekkentje: wordt gebruikt om hygiëne doekje na gebruik in te leggen en de lege spuiten.

Maagsonde CH 12 (wit dopje) afmeting ongeveer 46 cm inbrengen: Dit is het slangetje wat via de neus de maag ingebracht wordt.

Injectiespuit voor lucht, water, en sondevoeding: Lucht injectie is een kleine spuit, water is twee keer 50 cc en sondevoeding is drie keer 100 cc.

Stethoscoop: wordt gebruikt om te luisteren of de lucht daadwerkelijk in de maag terecht komt.

Twee maatkannen ( één voor water, één voor sondevoeding)

Beslagkom: Hierin wordt de sondevoeding in de magnetron verwarmd.

Energie sondevoeding (lauwwarm)

100 cc water (lauw warm)

2 nutridrink: worden vooraf aangeboden aan de patiënt.

Washandje: Na het toedienen vouw je de washand om de maagsonde heen en trek je deze in een strakke beweging tussen de washand door naar buiten.

4. Voorbereiding:

Bij de voorbereiding zorg je dat alle benodigde materialen klaarstaan.

Ook zorg je voor de privacy van de patiënt, je informeert de patiënt en je biedt de patiënt als alternatief een nutridrink aan. Wanneer de patiënt dit niet wil, geef je aan dat je sondevoeding moet geven omdat de patiënt anders teveel gewichtsverlies zal oplopen.

In de voorbereiding zorg je ook dat je handen gewassen zijn, de stethoscoop ontsmet is en dat je met twee personen bent. 5. De uitvoering:

Reinig indien nodig de neus met wattenstaafjes.

Als inbrengen van de sonde met veel weerstand gaat, neusgaten afwisselen (zie lijst klapper).

Sonde in bekkentje met warm water leggen (vergemakkelijkt het inbrengen van de sonde)

Laat de cliënt het hoofd licht achterover buigen, leg eventueel een hand op het voorhoofd.

Schuif voorzichtig het uiteinde van de sonde door het neusgat, met een neerwaartse beweging in de richting van het oor, tot de keelholte.

Wanneer enige weerstand optreedt stoppen met de handeling.

Instrueer de cliënt bij kokhalsreflex te slikken.

Vraag de cliënt het hoofd licht voorover te buigen, de luchtpijp wordt zo iets afgesloten.

Wrijf over de keel om slikken te stimuleren of vraag aan de cliënt als zelf drinken niet gaat, of je water in de wangzak mag spuiten, dit stimuleert slikken.

Controleer tussendoor de mondholte, de sonde kan in de mond opkrullen, trek dan terug tot de sonde weer recht is.

Spreek de cliënt bemoedigend toe en vraag hoe het gaat.

Schuif de sonde op tot het gemarkeerde punt.

Controleer of de sonde in de maag zit door:

* 10cc lucht in de luchtspuit op te zuigen.

* Plaats de stethoscoop op het maagkuiltje

* spuit de lucht in de sonde met een krachtige beweging

* Luister of je borrelende geluiden hoort

* (Bij herhaling van het lucht spuiten, de spuit niet van de slang halen, maar de ingespoten hoeveelheid lucht weer terugzuigen in de spuit om het opblazen van de maag te voorkomen).

* Zuig eventueel met de spuit maagsap op * Lukt dit niet trek de sonde dan 2 à 3 cm terug of breng hem iets verder in en zuig nogmaals maagsap op. De sonde kan opgekruld in de maag liggen.

Spuit langzaam 50cc lauw water door de sonde (let op eventuele reacties van cliënt)

Druk sonde dicht

Spuit langzaam 300 cc sondevoeding door de sonde

Druk sonde dicht

Spuit langzaam 50 cc lauw water door de sonde

Druk sonde dicht

Trek met een vloeiende beweging sonde uit neus.

6. De nazorg:

Volgens het protocol Nazorg:

Spoel materialen met warm water af (sonde kun je +/- 2 dagen gebruiken)

Zet materiaal terug in voorraadhok separeer. Complicaties:

Beschadiging van het slijmvlies van de neus.

Aspiratie(pneumonie), benauwdheid en onrust. In werkelijkheid:

Eerst wordt de cliënt met de rolstoel naar de woonkamer of naar de therapie gebracht en pas daarna wordt er opgeruimd.

De spuiten worden van buiten met warm water gewassen de binnenstukken waar het rubber aan vast zit wordt met koud water gewassen omdat anders de rubbers te stug worden.

De maatkannen en de beslagkom, worden met een sopje gedaan.

Nazorg bij de cliënte wordt niet gedaan, omdat cliënte goed genoeg in staat is om zichzelf te verzorgen maar dat op de afdeling niet doen. Als er even niemand in de buurt van haar is, loopt ze ook zo de rolstoel uit naar haar kamer, terwijl mevrouw anders niet kan lopen.

7. Gebruikte literatuur:

·       Vaardigheden basisverpleegkunde, I. Oldenburger/  L. Uyttewaal/ G. Afink/ A. Laarmans.  Hoofdstuk 24, blz. 89 t/m 91.

·       Protocol sondevoeding, van afdeling Phoenix.

·       www.darbicetre.com/.../index.php?categorie=20

·       www.dz.nl

·       www.farmadomo.com

 

wassen en aangekleed (protocollen)

Femke knapt op

 

Nog voordat Nicolien en Hilly samen een plannetje hebben gemaakt hoe ze vandaag gaan werken, gaat de bel op kamer 14, daar ligt Femke, een meisje van 4 jaar. Zij gaan samen naar haar toe. Femke ligt rustig in bed met haar barbiepoppen te spelen. “Wat een verschil met een paar dagen geleden”, denkt Nicolien. Toen werd Femke acuut opgenomen met een meningitis. Ze was erg ziek, had hoge koorts en was suf. Bovendien had ze al enkele petechiën op haar benen. Nadat ze antibiotica had gekregen knapte ze best snel op, maar ze moet het nog heel rustig aan doen. De moeder van Femke is blijven slapen en heeft het badje vol laten lopen, zij wil Femke in bad doen maar ze heeft een infuus in haar arm. “Nicolien, zou je me willen helpen met het uitkleden van Femke?” vraagt ze. “Natuurlijk”, zegt Nicolien, terwijl ze de temperatuur van het badwater controleert. Ze helpt Femkes moeder en maakt ondertussen een praatje over de barbies met Femke. Femke herkent Nicolien en babbelt gezellig terug. Het uitkleden waarbij de infuuszak en -slang door haar nachtpon worden gehaald is intussen bekend voor Femke en ze laat het probleemloos toe.

 

 

*het aan en uitkleden met een infuus.

Voorbereiding:

1 raadpleeg verpleegkundig dossier.
2 bereid cliënt voor op activiteit.
3 vermijd ongemak en/of risico’s voor cliënt.
4 breng omgeving in orde.
5 was en/of desinfecteer handen.
6 pak benodigdheden.

Tijdens:

7betrek client bij handeling.
8 bewaak privacy.
9 het badwater controleren.
10 de nachtpon uit doen eerst kant zonder het infuus, sta aan kant met het infuus.
11 pak het infuus vast en haal je arm met het infuus door de mouw.
12 controleer het badwater nog eens.
-Afdrogen: help de moeder hoe ze de arm met het infuus het beste kan afdrogen.

 

Het aankleden
13 begin bij de zwakke arm doe je hand door de nachtpon en pak het infuus haal je hand met het infuus door de mouw heen. Doe daarna de arm zonder het infuus.
14 zorg dat de nachtpon goed zit.

Na 

15 evalueer zorg.
16 help/vraag cliënt gewenste houding.
17 breng omgeving in orde.
18 draag zorg voor wasgoed.
19 was en/of desinfecteer je handen.
20 rapporteer.

 

Mevrouw Jansen Mevrouw Jansen heeft buikgriep, zij moet van de huisarts een paar dagen op bed blijven. Mevrouw Jansen wil graag 2 keer per dag op de stoel zitten.                                                                   Zij kan zich zelf niet wassen en wil graag dat een verpleegkundige haar wast en haar tanden poetst omdat dit ook erg moeilijk gaat. Na de wasbeurt help je haar op de stoel d.m.v. de koppelzwaai. En kan je haar bed verschonen.

* helpen met wassen en tanden poetsen bij Mevrouw Jansen.

* uit bed helpen d.m.v. de koppelzwaai.

laat de zorgvrager wat ze zelf nog kan zelf doen.

Voorbereiding:

 

<> 
1 raadpleeg verpleegkundig dossier.
2 bereid cliënt voor op activiteit, vraag naar gebruik po/urinaal voor de wasbeurt.
3 vermijd ongemak en/of risico’s voor cliënt. Controleer kamertemperatuur.
4 breng omgeving in orde.
5 was en/of desinfecteer handen.
6 rangschik benodigdheden voor gebruik.

 

 

Tijdens:

 

<>  <> 
7help/vraag cliënt in gewenste houding en observeer uiterlijk, (let op kleur) huid, nagels, haren, gezichtsuitdrukking.
8. observeer en begeleid cliënt tijdens uitvoering.
9 bewaak privacy
10 vul waskommen en was cliënt volgens wasschema.
Stap 1  was, spoel en droog gezicht , oren en hals.

Stap 2  was, spoel en droog handen, armen en oksels

Stap 3  was, spoel en droog borst.

Stap 4  was, spoel en droog rug, nek en flanken.

Stap 5 was, spoel en droog voeten en benen tot halverwege bovenbenen.

Stap 6 was, spel en droog rest van bovenbenen , heupen, buik en navel, liezen en genitaliën.

Vrouw: wrijf met washandje over vulva richting anus.

Man: schuif voorhuid terug en was zonder zeep eikel circulair en schuif voorhuid terug. Was, spoel en droog vervolgens penis en scrotum.

Stap 7 was, spoel en droog stuit

Tanden poetsen

<> <> <>  <>  <> <> 
11 help/vraag cliënt in gewenste houding en observeer uiterlijk, (let op kleur) huid, nagels, haren, gezichtsuitdrukking.

 

12 Bescherm cliënt.

 

13Zorg voor bescherming van jezelf

 

14 Maak tandenborstel gereed voor gebruik.

 

15 Poets gebit systematisch.

 

16 Vraag cliënt mond te spoelen.
17 Help cliënt mond droog te maken.
18 Maak gebit verder met flosdraad als dat gewenst is.
19 Vraag cliënt mond te spoelen en te drogen.

 

Uit bed helpen d.m.v. koppelzwaai
Evalueer zorg en help cliënt in de goede houding
Help de cliënt zittend d.m.v. koppelzwaai.

 

 

Na <>  <> 
Evalueer zorg en Help de cliënt in de gewenste houding
Breng omgeving in orde.
Maak spullen schoon en ruim deze op.
Was en/of desinfecteer handen.
Rapporteer.

Meneer De Vos, geboren 29 januari 1946, opnamereden: algehele malaise, nierproblemen? Verpleegkundige anamnese

In de verpleegkundige anamnese leest ze dat meneer De Vos diabetes heeft sinds zijn vijfentwintigste en al jaren insulineafhankelijk is. De bloedsuikerwaarden houdt hij voor een groot gedeelte zelf in de gaten en hij past hier de insulinehoeveelheid op aan. Af en toe gaat hij naar de diabetesverpleegkundige. Daarnaast moet hij regelmatig op controle bij de oogarts en de internist.

Meneer De Vos is ondanks zijn diabetes altijd zeer zelfstandig geweest. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen; zij zijn 26 en 23 jaar en wonen niet meer thuis. Meneer De Vos en zijn vrouw zijn actieve, mobiele mensen met veel hobby’s. Ze houden van een Bourgondische leefstijl en gingen, toen meneer De Vos zich nog goed voelde, vaak uit eten. Maar hij voelt zich het laatste jaar minder goed. Hij is snel moe en zijn bloedsuikerwaarden zijn moeilijk op peil te houden. Hij is vaak ‘ontregeld.’ Ook zijn bloeddruk is te hoog.

Meneer De Vos zit sinds een jaar in de ziektewet. Al lange tijd voelt hij zich doodmoe en de laatste week voor zijn opname werd dit alleen maar erger. ’s Ochtends stond hij al met hoofdpijn op. Het eten smaakte hem niet en zelfs genieten van een geurig kopje koffie was er niet meer bij.

  • bed verschonen zonder zorgvrager.

    Voorbereiding:

1 zorgvrager vertellen wat je gaat doen.
2. was en/of desinfecteer handen.
3 Leg het benodigde linnengoed klaar..
4 Neem een waskar mee om vuil beddengoed af te voeren
5 breng omgeving in orde.
6 Plaats het bed op de juiste (werk)hoogte.

 


Uitvoering:
7 Hoofdeinde omlaag doen
8 deken verwijderen, deken op de stoel neerleggen tenzij deze niet meer gebruikt wordt
9 Laken in de zwarte zak van de waskar doen
10 Onderlaken onder het matras vandaan halen zodat dit los op de matras ligt
11 boven en onder laken  verwijderen (in de waskar deponeren)
12 Schone laken glad trekken en instoppen over de lengte van het bed
13 Bewoner weer op de rug draaien
14 Hoofd-, en voeteneinde goed instoppen
15 Schoon bovenlaken uitvouwen zonder al te veel "wind" te veroorzaken en dit over de bewoner heen leggen. Niet over het gezicht
16 Bovenlaken instoppen aan het voeteneinde, hierbij rekening houden met het feit dat de voeten niet te strak ingestopt worden
 17 Kussen onder het hoofd van de bewoner vandaan halen en een nieuw sloop erom doen. Tijdens deze handeling ondersteunt de ander het hoofd van de bewoner als deze het hoofd niet plat op de matras kan leggen
18 Kussen terugplaatsen
19 Deken weer op het bed leggen en instoppen aan het voeteneind., even terughalen zodat niet te strak ingestopt is
20 Bewoner weer in de gewenste/ voorgeschreven houding terugplaatsen
21 Bewoner vragen of het naar wens is

Nazorg:

22 Bed weer in laagste stand brengen.
23 alles netjes achter laten.


 

Welterusten

 

 

Verpleegkundige krant  

Waarom slapen we?

De vraag waarom we slapen is moeilijk te beantwoorden. Er zijn twee theorieën: hersencellen ontwikkelen zich en/of het geheugen ontwikkelt zich. Mogelijk bestaat er ook een slaapstof.

Een groot deel van ons leven brengen we slapend door. Gemiddeld eenderde van de tijd! Het lijkt daardoor een zo gewone bezigheid dat die geen nadere uitleg nodig heeft. Vraag een willekeurige persoon waarom hij eigenlijk slaapt, dan blijkt die vanzelfsprekendheid ineens verdwenen. De vraag is moeilijk te beantwoorden. Zelfs wetenschappers tobben met het antwoord. Er bestaan twee theorieën. De slaap is als een onderhoudsbeurt voor ons lichaam en onze hersenen. Hersencellen kunnen zich uitstekend ontwikkelen tijdens de slaap. Denk maar aan het vele slapen van baby's, wat mede zorgt voor hun groei en ontwikkeling. De andere theorie zegt dat het geheugen zich tijdens de slaap ontwikkelt.

http://f2006.blogse.nl


Wat is het slaap-waakritme?

Je hebt niet direct een slaapstoornis als je een paar nachten achtereen de slaap niet kunt vatten. Het betekent echter wel dat er iets mis is en in veel gevallen duidt dit op een ontregeling van het slaap-waakritme.

Als je je ergens zorgen over maakt, wat teveel gedronken hebt of een griepje onder de leden hebt, kan het gebeuren dat je de slaap niet direct kunt slapen. Dat is nog geen slaapstoornis. Maar het kan ook voorkomen dat iemand iedere nacht maar weer niet de slaap kan vatten. Om niet direct in ware slaapklachten te vervallen, stippen we eerst het slaap-waakritme aan, dat bij ontregeling al tot problemen leidt. Ieder mens heeft namelijk zijn eigen slaap-waakritme: het carcadiaan-ritme. De één slaapt het liefst van 's nacht half twee tot 's morgens half tien (avondmens). De ander slaapt liever tussen tien uur 's avonds en zeven uur 's ochtends (ochtendmens). Probeer je die eerste persoon om tien uur in slaap te krijgen, dan zal hij absoluut inslaapproblemen hebben. Datzelfde doet zich voor als deze persoon om acht uur op het werk moet zijn. Verwacht niet dat hij in opperbeste stemming aan de slag gaat!

Deze slaapproblemen zijn puur een kwestie van het verschil in leefritmen tussen mensen of tussen de mens en de maatschappij. In het eerste geval kun je onderling wel tot een compromis komen. In het tweede geval kunnen er wel degelijk problemen opduiken als iemand die geacht wordt in ploegendienst te werken, een heel ander slaap-waakritme blijkt te hebben.

Slaapstof

De slaap bestaat uit de doezelslaap, sluimerslaap, diepe slaap en droomslaap. In totaal vier actieve slaapstadia die samen de non-remslaap en de REM-slaap vormen. Zo'n vier tot zes keer per slaapperiode, voor de meesten onder ons de nacht, herhaalt deze cyclus zich.
De doezelslaap en de sluimerslaap, de diepe slaap en de REM-slaap zijn stuk voor stuk actieve slaapstadia. De eerste drie worden samen de non-REM-slaap genoemd. Tijdens deze vier slaapstadia gebeurt er veel in ons lichaam. De hersenactiviteit verandert, de lichaamstemperatuur daalt, de pupillen worden kleiner, de hartslag vertraagt, er wordt minder lucht ingeademd en minder speeksel en minder urine geproduceerd. Het aantal groeihormonen neemt tijdens de slaap toe. Het aantal stresshormonen af.
 

De REM-slaap
De letters REM staan voor: Rapid Eye Movements, ofwel snelle oogbewegingen. Het is de meest actieve fase van de slaap waarbij behalve de oogbewegingen ook de ademhaling en de diepte daarvan onregelmatig is. De REM-slaap is voor velen een bijzonder interessant deel van de slaap omdat het vermoeden bestaat dat juist dan gedroomd wordt. Daarom wordt dit ook wel de droomslaap genoemd. Een volwassene bevindt zich aan het begin van de nacht enkele minuten in de REM-slaap. Tegen de ochtend is dit opgelopen tot wel dertig minuten. De REM-slaap bij een volwassene beslaat ongeveer 15 tot 20 procent van het totaal aantal uren slaap. Baby's daarentegen bevinden zich vijftien van de zestien uur die ze slapen in de REM-slaap!

Iemand die plotseling wakker wordt tijdens zijn REM-slaap, blijkt zich zijn dromen vaak goed te kunnen herinneren.
Slapen- fysiologie 

 

 

 

Beta golven
(erg lage  afmeting =amplitude, hoge frequentie; 13 tot 30 golven/sec)

 

 

 

De persoon is wakker en actief (in een mate van alertheid). Het zijn de snelste EEG golven. Er is een actieve cortex en een intense mate van aandacht. Onregelmatige stijl (niet synchroon lopende golven.)

 

 

Alpha golven
(lage amplitude, 8 tot 13 golven/sec)

 

 

 

De persoon is wakker en ontspannen met gesloten ogen. Neuronen vuren op verschillende tijden. Regelmatige stijl (synchroon lopende golven).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Theta golven  

 

(grote-medium amplitude, puntige golven; 3-7 golven/sec)

 

 

 

De persoon is slaperig, slaapt al of gaat over tot slapen. Theta  golven kan men ook tijdens de REM slaap zien. Omdat de hippocampus betrokken is bij het verwerken van het geheugen, kan de aanwezigheid van theta golven tijdens de REM slaap in dat gebied van de hersenen, verband houden met die hersenactiviteit.

 

 

 

 

 

 

 

Delta golven
(hoge amplitude, lage frequentie; 3 golven/sec)

 

 

 

De persoon is in diepe slaap. Neuronen die zich niet bezighouden met het informatieproces, vuren allen op hetzelfde moment. Daarom is de activiteit synchroon. De golven zijn groot en langzaam.In deze fase worden eiwitten gebouwd en hersenen en zenuwsysteem krijgen weer controle over andere lichaamssystemen.

 

 

 

 

R.E.M.-periode
60 tot 70
golven/sec

 

 

 

Maximale intrekking van de pupil en knipperen van de membraan volgen het schietsalvo van de oogbewegingen.

 

 

 

 

Hoeveel slaap hebben we nodig?

De hoeveelheid slaap die een mens nodig heeft is afhankelijk van meerdere factoren waaronder de leeftijd. Kleine kinderen hebben tot 16 uur slaap nodig terwijl pubers gemiddeld 9 uur slaap nodig hebben. Voor de meeste volwassenen geldt dat 7 tot 8 uur slaap voldoende is. Sommigen hebben echter aan 5 uur slaap genoeg en weer anderen dienen minstens 10 uur te slapen. In het begin van de zwangerschap hebben vrouwen vaak wat meer slaap nodig dan gewoonlijk.
Oorzaken van slaapproblemen
Jongeren met slaapproblemen noemen daarvoor heel veel verschillende oorzaken. Meestal gaat het niet om één oorzaak. Enkele oorzaken van slaapproblemen zijn:

·        piekeren;

·        te veel lawaai in de slaapomgeving;

·        lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, buikpijn         of  beenkrampen.

Piekeren is de meest genoemde oorzaak. Omdat je piekert, heb je moeite om lekker ontspannen in te slapen.

Leerlingen piekeren het meest over:

·        de toekomst;

·        problemen met vrienden of vriendinnen;

·        proefwerken of schoolexamens;

·        angst voor een ernstige ziekte;

·        ruzie en/of problemen met ouder(s);

·        verdriet over ernstige zieke mensen;

·        een niet beantwoorde liefde;

·        het overlijden van een bekende.

Erover praten helpt
Gek genoeg praten de meeste jongeren met slaapproblemen daar met bijna niemand over. Thuis niet, op school niet en met klasgenoten al helemaal niet. Toch is het belangrijk dat mensen in je omgeving weten dat je al langere tijd slecht slaapt. Je hebt vaak niet voor niets deze problemen.

Praat er daarom over met je mentor, leerlingbegeleider of met iemand van thuis. Zoek samen naar de ware achtergrond van je slaapproblemen en naar wat daaraan te doen valt! Natuurlijk kun je ook terecht bij de sociaalverpleegkundige en/of de jeugdarts van de GGD.

Als je in bed ligt

·        Probeer je hele lichaam te ontspannen. Een goed hulpmiddel is om net te doen of aan al je spieren kilo’s zand hangen.

·        Kijk niet naar de televisie, maar ga een ontspannend boek lezen of doe meteen het licht uit.

·        Concentreer je op een diepe buikademhaling. Je buik gaat dan op en neer bij het ademhalen.

·        Kies uit jouw top drie van leuke onderwerpen er één uit om gezellig over na te denken.

·        Zorg voor rustige achtergrondmuziek, die met een timer automatisch wordt uitgeschakeld.

·        Sta ’s morgens op de gewone tijd op, ook na een slechte nacht.

·        Leg pen en papier op je nachtkastje. Schrijf de dingen op waarover je piekert en die je de volgende dag niet mag vergeten.

Zijn er medicijnen voor de slaap?

Ja, medicijnen kunnen iemand in slaap helpen. Slaapmiddelen worden (tijdelijk) voorgeschreven als de slapeloosheid het gevolg is van een aandoening of als het probleem bekend is waardoor iemand slecht slaapt zoals pijn, angst of stress. Het blijft echter altijd van belang zo snel mogelijk het vertrouwde slaap-waakritme op te pakken. Een pilletje kan daarbij helpen, maar lost het probleem zelf niet op!

Slaapmiddelen nemen namelijk nooit de oorzaak van het slechte slapen weg. Hoe langer men slaapmiddelen gebruikt, hoe moeilijker het is daar weer vanaf te komen.
De meest voorgeschreven slaapmiddelen zijn de benzodiazepinen. Dit is een groep van slaapmiddelen waar veel slaaptabletten onder vallen en die slechts onderling verschillen in de tijd die ze werken en de snelheid waarmee ze je doen inslapen. Andere middelen zijn Zolpidem en Zolpiclon.

Slaapmiddelen
Slaapmiddelen worden door de huisarts bij jongeren over het algemeen afgeraden. Pas als je langdurige slaapproblemen hebt, kunnen bij uitzondering slaapmiddelen worden voorgeschreven. Ga dan eens langs bij je huisarts, die weet daar alles van.

hoeveel slaap heeft uw kind nodig?

kinderen Iemand die voldoende nachtrust heeft gehad zal in het algemeen de volgende dag op tijd wakker worden, zich fit en uitgerust voelen en goed de aandacht kunnen houden bij wat hij of zij doet. Enerzijds kan onvoldoende nachtrust van invloed zijn op het humeur. Anderzijds kan het leiden tot concentratieproblemen en slechte leerprestaties.

Als u weet hoeveel nachtrust uw kind ongeveer nodig heeft, kunt u het beste een vaste regelmaat aanhouden in het naar bed gaan. Zeker als de volgende dag een schooldag is. In het weekend en tijdens de vakanties kunt u wel eens daarvan afwijken.

 

Slaapproblemen Mogelijke slaapproblemen bij kinderen zijn:

1. Uw kind wil niet naar bed gaan.

2. Uw kind heeft moeite met inslapen.

3. Uw kind wordt ‘s nachts vaak wakker en kan niet opnieuw inslapen.

4. Uw kind wordt te vroeg wakker.

Oorzaken van slaapproblemen zoeken

Spreek een vaste bedtijd af met uw kind en houd hieraan vast.  Vertel ruim van tevoren dat het bedtijd wordt.  Maak van het naar bed gaan een goede afsluiting van de dag. Bijvoorbeeld door een verhaaltje voor te lezen of een liedje te zingen.

 Zorg dat uw kind een eigen veilige slaapplek heeft die er aantrekkelijk uitziet. Dit kan een eigen kamer zijn of een eigen slaaphoek.

Tips om beter te kunnen slapen
Voordat je naar bed gaat

·        Ga zoveel mogelijk op een vast tijdstip naar bed.

·        Stop minstens een uur voor het naar bed gaan met leren of huiswerk maken en ga nog iets ontspannends doen (geen spannende tv programma’s).

·        Slaap overdag niet, doe ook geen ‘dutje’.

·        Ga niet met honger slapen, neem eventueel een klein hapje te eten voor het naar bed gaan.

·        Zorg voor voldoende frisse lucht in je slaapkam.

   Zorg ervoor dat je overdag regelmatig je lichaam flink inspant, bijvoorbeeld door veel te bewegen en te sporten. Van studeren wordt je lichaam niet moe.

·        Drink ‘s avonds geen koffie of cola.

·        Zorg dat je schoolspullen klaarliggen.

·        Praat met iemand over de dingen waarover je in bed ligt te piekeren.

Slaapproblemen

Af en toe eens slecht slapen is ‘normaal’. Maar wie geregeld slecht slaapt kan met verstandige maatregelen vaak veel verbeteren. Slecht slapen kan te maken hebben met moeite in slaap te komen, moeite met doorslapen (dus regelmatig wakker worden) of te vroeg wakker worden. Daarnaast kan het gevoel uitgerust te zijn, ontbreken.

Heb je veel last van slaapproblemen, raadpleeg dan de huisarts. Bekijk daarnaast onderstaande informatie.

·        In de zelfhulpbibliotheek van PITSstop vind je informatie over dit onderwerp en verwante zaken. Bekijk voor relevante bronnen de catalogus.

·        Is er door de slaapproblemen sprake van studievertraging, onderneem dan spoedig actie.

 

 

 

Lees verder...

hoi hoi

Smile
kobre